Psalmen 108
← Psalmen · De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
Psalmen 108
De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
1
Een lied; een psalm van David. Mijn hart is gerust, o mijn God; Ik wil zingen en spelen:
2
Word wakker, mijn lofzang; harp en citer ontwaak; Ik wil het morgenrood wekken!
3
Ik wil U loven onder de volken, o Jahweh, U verheerlijken onder de naties;
4
Want uw goedheid reikt tot de hemel, En tot de wolken uw trouw.
5
Verhef U boven de hemelen, o God; Uw glorie vervulle de aarde!
6
Wil uw geliefden dan redden, Strek uw rechterhand uit, en verhoor ons!
7
Bij zijn heiligheid heeft God het beloofd: Juichend zal ik Sikem verdelen, En het dal van Soekkot meten;
8
Mij behoort Gilad, van mij is Manasse. Efraïm is de helm van mijn hoofd, Juda mijn schepter,
9
Moab is mijn voetenbekken; Op Edom werp ik mijn schoeisel, Over Filistea hef ik mijn zegekreet aan.
10
Maar wie brengt mij nu binnen de vesting, Wie zal mij naar Edom geleiden;
11
Moet Gij het niet zijn, die ons hebt verstoten, o God, En niet langer met onze heirscharen optrekt, o God?
12
Ach, help ons dan tegen den vijand, Want hulp van mensen is ijdel.
13
Maar met God zijn wij sterk; Hij zal onze verdrukkers vertrappen!