Psalmen 137
← Psalmen · De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
Psalmen 137
De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
1
Aan Babels stromen zaten wij schreiend Bij de gedachte aan Sion;
2
En aan de wilgen, die daar stonden, Hingen wij onze harpen op.
3
Ja, daar durfden onze rovers Ons nog liederen vragen; En onze beulen: “Zingt ons vrolijke wijsjes Uit de zangen van Sion!”
4
Ach, hoe zouden wij Jahweh’s liederen zingen Op vreemde bodem!
5
Jerusalem, zo ik u zou vergeten, Ik vergat mijn rechterhand nog eer;
6
Mijn tong mag aan mijn gehemelte kleven, Zo ik u niet gedenk: Zo ik niet meer van Jerusalem houd, Dan van het toppunt van vreugde.
7
Jahweh, reken de zonen van Edom De dag van Jerusalem toe; Die riepen: Smijt ze neer, smijt ze neer; Neer met haar op de grond!
8
En gij, dochter van Babel, moordenares: Heil hem, die u vergeldt wat gij ons hebt gedaan;
9
Heil hem, die uw kinderen grijpt, En tegen de rots te pletter slaat!