Psalmen 26
← Psalmen · De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
Psalmen 26
De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
1
Van David. Wees mijn Rechter, o Jahweh! Want mijn wandel is rein; Altijd heb ik op Jahweh vertrouwd, Nooit gewankeld!
2
Beproef mij, en toets mij, o Jahweh; Doorgrond mijn nieren en hart.
3
Want uw liefde houd ik voor ogen, En in uw waarheid heb ik geleefd;
4
Ik heb geen gemeenschap met veinzers, Met gluipers ga ik niet om;
5
Ik haat het gezelschap der bozen, En met slechtaards zit ik niet aan.
6
Maar ik was mijn handen in onschuld, En sta rond uw altaar,
7
O Jahweh, om U een loflied te zingen, En al uw wonderen te melden.
8
Jahweh, ik bemin het huis, waar Gij toeft, De woonplaats van uw heerlijkheid.
9
Werp mij niet weg met de zondaars, Mijn leven niet met moordenaars,
10
Aan wier handen misdaad kleeft, Wier rechterhand is omgekocht.
11
Neen, ik wandel in onschuld; Red mij dus, Jahweh, en wees mij genadig!
12
Mijn voet staat in de gerechtigheid vast; Ik zal U loven, o Jahweh, in de volle gemeente!