Psalmen 97
← Psalmen · De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
Psalmen 97
De Heilige Schrift (Petrus Canisius) 1939
1
Jahweh is Koning! Laat de aarde jubelen, De ontelbare eilanden juichen!
2
Donkere wolken pakken zich om Hem heen, Recht en gerechtigheid schragen zijn troon.
3
Vuur gaat voor zijn aangezicht uit, En het vlamt om zijn schreden;
4
Zijn bliksems verlichten de wereld, De aarde ziet het, en beeft!
5
De bergen smelten als was voor het aanschijn van Jahweh, Voor den Heer van de volheid der aarde;
6
De hemelen kondigen zijn gerechtigheid aan, Alle volken aanschouwen zijn glorie.
7
Alle beeldenaanbidders worden te schande, Die zich op hun goden beroemen; En diep in het stof werpen alle afgoden Zich voor Hem neer.
8
Sion hoort het vol vreugde, Juda’s dochteren juichen, Jahweh, om uw gericht;
9
Want Gij zijt de Allerhoogste op heel de aarde, o Jahweh, Hoog boven alle goden verheven!
10
Jahweh heeft lief Die de ongerechtigheid haat; Hij behoedt het leven van zijn getrouwen, En redt ze uit de handen der bozen.
11
Een licht straalt over de rechtvaardigen uit, En blijdschap over de oprechten van hart;
12
De vromen zullen zich in Jahweh verheugen, En loven zijn heilige Naam!