Confronta

Psalmi 73

Scorrimento collegatoLe due colonne scorrono insieme

Psalmi

Capitolo 73
1 Psalam. Asafov Kako je dobar Bog čestitima, Bog onima koji su čista srca!
2 A meni umalo noge ne posrnuše, zamalo koraci ne okliznuše,
3 jer zločincima zavidjeh motreći sreću grešnika.
4 Nikakvu patnju ne snose, pretilo je tijelo njihovo.
5 Ne žive u mukama smrtnika, ljudske ih nevolje ne biju.
6 Stoga je oholost ogrlica vratu njihovu, a nasilje haljina koja ih pokriva.
7 Iz pretila srca izlazi opakost njihova, srca im se prelijevaju ispraznim tlapnjama.
8 Podsmjehuju se i zlobno govore, nasiljem prijete odozgo.
9 Ustima na nebo nasrću, a jezik se njihov obara na zemlju.
10 Zato moj narod za njima leti i srče obilne vode
11 pa veli: “Kako da dozna Bog? Spoznaje li Svevišnji?”
12 Eto, takvi su grešnici: uvijek spokojni, bogatstvo zgrću.
13 Jesam li, dakle, samo ja uzalud čuvao srce čisto i u nedužnosti prao ruke
14 kad sam primao udarce svaki dan i kaznu jutro za jutrom?
15 Da sam kazao: “Govorit ću kao i oni”, izdao bih rod sinova tvojih.
16 Promišljah tada da bih spoznao: al' mi se učini mučno u očima mojim
17 sve dok ne nađoh ulaz u Božje svetinje pa prozreh kakav im je svršetak.
18 Zaista, na klizavu stazu ti ih postavljaš, u propast ih obaraš.
19 Kako učas propadoše, nestaše, užas ih izjede!
20 Kao što čovjek prezire san kad se probudi, tako ćeš, Gospode, prezreti lik im kada ustaneš.
21 Kad mi duša bijaše ojađena, a bubrezi probodeni,
22 bezumnik bijah bez razbora, k'o živinče pred tobom.
23 Al' ću odsad uvijek biti s tobom, jer ti prihvati desnicu moju:
24 vodit ćeš me po naumu svojem da me zatim uzmeš u slavu svoju.
25 Koga ja imam u nebu osim tebe? Kad sam s tobom, ne veselim se zemlji.
26 Malaksalo mi tijelo i srce: okrilje srca moga, i baštino moja, o Bože, dovijeka!
27 Doista, propast će oni koji se udaljuju od tebe, istrebljuješ svakog tko ti se iznevjeri.
28 A meni je milina biti u Božjoj blizini, imati sklonište svoje u Jahvi. Pripovijedat ću sva tvoja djela na vratima Kćeri sionske.

Psalmen

Capitolo 73
1 Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
2 Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
3 Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
4 Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
5 Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
6 Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
7 De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
8 Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
9 Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
10 Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
11 Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
12 Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
13 Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
14 De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
15 Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
16 Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
17 Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
18 Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
19 Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
20 Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
21 Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
22 Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
23 Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
24 Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
25 Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
26 Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
27 Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
28 Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!

Scegli un libro