Comparer
1 Koningen 8
Défilement liéLes deux colonnes défilent ensemble
1 Koningen
Chapitre 8
1
Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen, onder de kinderen Israels, tot den koning Salomo te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.
2
En alle mannen van Israel verzamelden zich tot den koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.
3
En al de oudsten van Israel kwamen; en de priesters namen de ark op.
4
En zij brachten de ark des HEEREN en de tent der samenkomst opwaarts mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten dezelve opwaarts.
5
De koning Salomo nu en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden.
6
Alzo brachten de priesteren de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.
7
Want de cherubim spreidden beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.
8
Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op dezen dag.
9
Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.
10
En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde.
11
En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.
12
Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.
13
Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.
14
Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.
15
En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God Israels, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:
16
Van dien dag af, dat Ik Mijn volk Israel uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israel wezen zou.
17
Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis den Naam van den HEERE, den God Israels, te bouwen.
18
Maar de HEERE zeide tot David, mijn vader: Dewijl dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.
19
Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.
20
Zo heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.
21
En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij met onze vaderen maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde.
22
En Salomo stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar den hemel;
23
En hij zeide: HEERE, God van Israel, er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;
24
Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.
25
En nu HEERE, God van Israel, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op den troon van Israel zitte; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.
26
Nu dan, o God van Israel, laat toch Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David.
27
Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!
28
Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt.
29
Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.
30
Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor, en vergeef.
31
Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed des vloeks voor Uw altaar in dit huis komen zal;
32
Hoor Gij dan in den hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende den ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.
33
Wanneer Uw volk Israel zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;
34
Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israel, en breng hen weder in het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.
35
Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben;
36
Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israel, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.
37
Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige krankheid wezen zal;
38
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israel, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;
39
Hoor Gij dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en doe, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen;
40
Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt.
41
Zelfs ook aangaande den vreemde, die van Uw volk Israel niet zal zijn, maar uit verren lande om Uws Naams wil komen zal;
42
(Want zij zullen horen van Uw groten Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;
43
Hoor Gij in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.
44
Wanneer Uw volk in den krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door den weg, dien Gij hen henen zenden zult, en zullen tot den HEERE bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uw Naam gebouwd heb;
45
Hoor dan in den hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.
46
Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is.
47
En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;
48
En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart, en met hun ganse ziel, in het land hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar den weg van hun land (hetwelk Gij hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;
49
Hoor dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit;
50
En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmede zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich hunner ontfermen;
51
Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens;
52
Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israel, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.
53
Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere HEERE!
54
Het geschiedde nu, als Salomo voleind had dit ganse gebed, en deze smeking tot den HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar des HEEREN opstond, van het knielen op zijn knieen, met zijn handen uitgebreid naar den hemel;
55
Zo stond hij, en zegende de ganse gemeente van Israel, zeggende met luider stem:
56
Geloofd zij de HEERE, Die aan Zijn volk Israel rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door den dienst van Mozes, Zijn knecht.
57
De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;
58
Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, dewelke Hij onzen vaderen geboden heeft.
59
En dat deze mijn woorden, waarmede ik voor den HEERE gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor den HEERE, onzen God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israel, elkeen dagelijks op zijn dag.
60
Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;
61
En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.
62
En de koning, en gans Israel met hem, offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.
63
En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij den HEERE offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Alzo hebben zij het huis des HEEREN ingewijd, de koning en al de kinderen Israels.
64
Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste des voorhofs, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vet der dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet der dankofferen te vatten.
65
Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israel met hem, een grote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.
66
Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede, dat de HEERE aan David, Zijn knecht, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had.
1 Královská
Chapitre 8
1
Tedy shromáždil Šalomoun k sobě do Jeruzaléma starší lidu Izraelského, a všecky přední z pokolení, totiž knížata čeledí otcovských s syny Izraelskými, aby přenesli truhlu smlouvy Hospodinovy z města Davidova, jenž jest Sion.
2
I sešli se k králi Šalomounovi všickni muži Izraelští měsíce Etanim, v čas slavnosti; a ten měsíc jest sedmý.
3
A když přišli všickni starší Izraelští, vzali kněží truhlu.
4
I přenesli truhlu Hospodinovu a stánek úmluvy, i všecka nádobí posvátná, kteráž byla v stánku; a tak přenesli to kněží a Levítové.
5
Král pak Šalomoun i všecko shromáždění Izraelské, kteréž se k němu sešlo, obětovali s ním před truhlou ovce i voly, kteříž ani popisováni ani počítáni nebyli pro množství.
6
I vnesli kněží truhlu smlouvy Hospodinovy na místo její, do vnitřního domu, totiž do svatyně svatých pod křídla cherubínů.
7
Nebo cherubínové měli roztažená křídla nad místem truhly, a přikrývali cherubínové truhlu i sochory její svrchu.
8
A povytáhli sochorů, tak že vidíni byli koncové jejich v svatyni k předku svatyně svatých, avšak vně nebylo jich viděti; a byli tam až do tohoto dne.
9
Nic nebylo v truhle kromě dvou tabulí kamenných, kteréž tam složil Mojžíš na Orébě, když všel Hospodin v smlouvu s syny Izraelskými, a oni šli z země Egyptské.
10
I stalo se, když vycházeli kněží z svatyně, že oblak naplnil dům Hospodinův,
11
Tak že nemohli kněží ostáti a sloužiti pro ten oblak; nebo sláva Hospodinova naplnila dům Hospodinův.
12
Tedy řekl Šalomoun: Hospodin řekl, že bude přebývati v mrákotě.
13
Jižť jsem vystavěl dům k přebývání tvému, místo, v němž bys přebýval na věky.
14
A obrátiv král tvář svou, požehnání dával všemu shromáždění Izraelskému, všecko pak shromáždění Izraelské stálo.
15
A řekl: Požehnaný Hospodin Bůh Izraelský, kterýž mluvil ústy svými Davidovi otci mému, a skutečně naplnil to, řka:
16
Od toho dne, kteréhož jsem vyvedl lid svůj Izraelský z Egypta, nevyvolil jsem města z žádného pokolení Izraelského k vystavení v něm domu, kdež by přebývalo jméno mé, ale Davida jsem vyvolil, aby spravoval lid můj Izraelský.
17
Uložil tě byl zajisté v srdci svém David otec můj stavěti dům jménu Hospodina Boha Izraelského,
18
Ale Hospodin řekl Davidovi otci mému: Ačkoli jsi uložil v srdci svém stavěti dům jménu mému, a dobře jsi učinil, žes to myslil v srdci svém:
19
A však ty nebudeš stavěti toho domu, ale syn tvůj, kterýž vyjde z bedr tvých, on vystaví dům ten jménu mému.
20
A tak splnil Hospodin slovo své, kteréž byl mluvil. Nebo jsem povstal na místo Davida otce svého, a dosedl jsem na stolici Izraelskou, jakož byl mluvil Hospodin, a ustavěl jsem dům tento jménu Hospodina Boha Izraelského,
21
A připravil jsem tu místo truhle, v níž jest smlouva Hospodinova, kterouž učinil s otci našimi, když je vyvedl z země Egyptské.
22
Postavil se pak Šalomoun před oltářem Hospodinovým, přede vším shromážděním Izraelským, a pozdvihl rukou svých k nebi,
23
A řekl: Hospodine, Bože Izraelský, neníť podobného tobě Boha na nebi svrchu, ani na zemi dole, kterýž ostříháš smlouvy a milosrdenství služebníkům svým, chodícím před tebou v celém srdci svém,
24
Kterýž jsi splnil služebníku svému, Davidovi otci mému, to, co jsi mluvil jemu; nebo jsi mluvil ústy svými, a skutečně jsi to naplnil, jakož se dnes vidí.
25
Nyní tedy, ó Hospodine, Bože Izraelský, naplniž služebníku svému, Davidovi otci mému, což jsi mluvil jemu, řka: Nebudeť vyhlazen muž z rodu tvého od tváři mé, kterýž by seděl na stolici Izraelské, jestliže toliko ostříhati budou synové tvoji cesty své, aby chodili přede mnou, jakž jsi ty chodil přede mnou.
26
Protož nyní, ó Bože Izraelský, prosím, nechť jest upevněno slovo tvé, kteréž jsi mluvil služebníku svému, Davidovi otci mému.
27
(Ač zdali v pravdě bydliti bude Bůh na zemi? Aj, nebesa, nýbrž nebesa nebes tě neobsahují, mnohem méně dům tento, kterýž jsem vystavěl.)
28
A popatř k modlitbě služebníka svého a k úpění jeho, Hospodine, Bože můj, slyše volání a modlitbu, kterouž služebník tvůj modlí se dnes před tebou,
29
Aby oči tvé byly otevřené na dům tento v noci i ve dne, na místo toto, o němž jsi řekl: Tuť bude jméno mé, abys vyslýchal modlitbu, kterouž se modlívati bude služebník tvůj na místě tomto.
30
Vyslýchejž tedy modlitbu služebníka svého i lidu svého Izraelského, kterouž se modlívati budou na místě tomto; ty vždy vyslýchej v místě přebývání svého na nebesích, a vyslýchaje, buď milostiv.
31
Když by zhřešil člověk proti bližnímu svému, a nutil by ho k přísaze, tak že by přisahati musil, a přišla by ta přísaha před oltář tvůj do domu tohoto:
32
Ty vyslýchej na nebi a rozeznej, i rozsuď služebníky své, mstě nad bezbožným a obraceje skutky jeho na hlavu jeho, a ospravedlňuje spravedlivého, odplacuje mu vedlé spravedlnosti jeho.
33
Když by poražen byl lid tvůj Izraelský od nepřátel, proto že zhřešili proti tobě, jestliže by obrátíce se k tobě, vyznávali jméno tvé, a modléce se, poníženě prosili by tebe v domě tomto:
34
Ty vyslýchej na nebi a odpusť hřích lidu svému Izraelskému, a uveď je zase do země, kterouž jsi dal otcům jejich.
35
Když by zavříno bylo nebe, a nepršel déšť, proto že zhřešili proti tobě, a modléce se na místě tomto, vyznávali by se jménu tvému, a od hříchů svých odvrátili by se po tvém trestání:
36
Ty vyslýchej na nebi, a odpusť hřích služebníků svých a lidu svého Izraelského, vyuče je cestě výborné, po níž by chodili, a dej déšť na zemi svou, kterouž jsi dal lidu svému za dědictví.
37
Byl-li by hlad na zemi, byl-li by mor, sucho, rez, kobylky, a brouci byli-li by; ssoužil-li by jej nepřítel jeho v zemi obývání jeho, aneb jakákoli rána, jakákoli nemoc:
38
Všelikou modlitbu a každé úpění, kteréž by činěno bylo od kteréhokoli člověka, aneb ode všeho lidu tvého Izraelského, kdož by jen poznal ránu srdce svého, a pozdvihl by rukou svých v domě tomto,
39
Ty vyslýchej na nebesích v místě přebývání svého, a slituj se i učiň a odplať jednomu každému vedlé všech cest jeho, kteréž ty znáš v srdci jeho, (nebo ty sám znáš srdce všech lidí),
40
Aby se báli tebe po všecky dny, v nichž by živi byli na zemi, kterouž jsi dal otcům našim.
41
Nýbrž také cizozemec, kterýž není z lidu tvého Izraelského, přišel-li by z země daleké pro jméno tvé,
42
(Neboť uslyší o jménu tvém velikém a ruce tvé přesilné, a rameni tvém vztaženém), přišel-li by tedy, a modlil by se v domě tomto:
43
Ty vyslýchej na nebi v místě přebývání svého, a učiň všecko to, o čež volati bude k tobě cizozemec ten, aťby poznali všickni národové země jméno tvé, a báli se tebe jako lid tvůj Izraelský, a aby věděli, že jméno tvé vzýváno jest nad domem tímto, kterýž jsem vystavěl.
44
Když by vytáhl lid tvůj k boji proti nepříteli svému, cestou, kterouž bys poslal je, jestliže by se modlili Hospodinu naproti městu tomuto, kteréž jsi vyvolil, a naproti domu, kterýž jsem vystavěl jménu tvému:
45
Tolikéž vyslýchej na nebi modlitbu jejich a úpění jejich, a vyveď při jejich.
46
Když by zhřešili proti tobě, (jakož není člověka, kterýž by nehřešil), a rozhněvaje se na ně, vydal bys je v moc nepříteli, tak že by je jaté vedli ti, kteříž by je zjímali, do země nepřátelské, daleké neb blízké,
47
A usmyslili by sobě v zemi té, do kteréž by zajati byli, a obrátíce se, modlili by se tobě v zemi těch, kteříž je zzajímali, řkouce: Zhřešiliť jsme a neprávě jsme činili, bezbožně jsme činili,
48
A tak navrátili by se k tobě celým srdcem svým a celou duší svou v zemi nepřátel svých, kteříž je zzajímali, a modlili by se tobě naproti zemi své, kterouž jsi dal otcům jejich, naproti městu tomu, kteréž jsi vyvolil, a domu, kterýž jsem vzdělal jménu tvému:
49
Vyslýchejž tedy na nebesích, v místě přebývání svého, modlitbu jejich a úpění jejich, a vyveď při jejich,
50
A odpusť lidu svému, cožkoli zhřešil proti tobě, i všecka přestoupení jejich, jimiž přestoupili proti tobě, a nakloň k nim lítostí ty, kteříž je zjímali, aby se smilovali nad nimi.
51
Neboť jsou lid tvůj a dědictví tvé, kteréž jsi vyvedl z Egypta, z prostřed peci železné.
52
Nechať jsou tedy oči tvé otevřené k modlitbě služebníka tvého a k modlitbě lidu tvého Izraelského, abys je vyslýchal vždycky, když by tě koli vzývali.
53
Nebo jsi ty oddělil je sobě za dědictví ode všech národů země, jakož jsi mluvil skrze Mojžíše služebníka svého, když jsi vyvedl otce naše z Egypta, Panovníče Hospodine.
54
Stalo se pak, když se přestal Šalomoun modliti Hospodinu vší modlitbou a prosbou touto, že vstal od oltáře Hospodinova, a přestal klečeti a pozdvihovati rukou svých k nebi.
55
A stoje, dobrořečil všemu shromáždění Izraelskému hlasem velikým, řka:
56
Požehnaný Hospodin, kterýž dal odpočinutí lidu svému Izraelskému vedlé všeho, což mluvil. Nepochybilo ani jedno slovo ze všelikého slova jeho dobrého, kteréž mluvil skrze služebníka svého Mojžíše.
57
Budiž Hospodin Bůh náš s námi, jako byl s otci našimi; nezamítejž nás, ani opouštěj.
58
Ale nakloniž srdce naše k sobě, abychom chodili po všech cestách jeho, a ostříhali přikázaní jeho, i ustanovení jeho, a soudů jeho, kteréž přikázal otcům našim.
59
A ať jsou má tato slova, kterýmiž jsem se modlil před Hospodinem, blízko Hospodina Boha našeho dnem i nocí, tak aby vyvodil při služebníka svého, a při lidu svého Izraelského každého času a dne,
60
Aťby poznali všickni národové země, že Hospodin sám jest Bůh, a že není kromě něho žádný.
61
Budiž tedy srdce vaše celé k Hospodinu Bohu našemu, tak abyste chodili v ustanoveních jeho, ostříhajíce přikázaní jeho, tak jako dnešního dne.
62
Král pak a s ním všecken Izrael obětovali oběti před Hospodinem.
63
A obětoval Šalomoun v obět pokojnou, kterouž obětoval Hospodinu, volů dvamecítma tisíců, a ovec sto dvadceti tisíců, a posvěcovali domu Hospodinova král i všickni synové Izraelští.
64
Téhož dne posvětil král prostředku síně, kteráž byla před domem Hospodinovým; nebo obětoval tu oběti zápalné a oběti suché, a tuky pokojných obětí, proto že oltář měděný, kterýž byl před Hospodinem, byl malý, aniž mohly se na něm směstknati oběti zápalné a oběti suché, a tukové pokojných obětí.
65
A tak držel Šalomoun toho času slavnost, a všecken Izrael s ním, shromáždění veliké odtud, kudyž se chodí do Emat, až ku potoku Egyptskému, před Hospodinem Bohem naším, za sedm dní a opět za sedm dní, to jest za čtrnácte dní.
66
Dne pak osmého propustil lid. Kteříž požehnavše krále, odešli do obydlí svých, radujíce se a veselíce se v srdci ze všech dobrých věcí, kteréž učinil Hospodin Davidovi služebníku svému a Izraelovi lidu svému.